Doorgaan naar hoofdinhoud subline-curl

Niet kletsen maar doen

Rollenspel rond het verhaal van Jona.

Doel: jongeren spelen de gegeven fragmenten uit het verhaal Jona. Na afloop volgt er een discussie over de roeping van Jona.
Nodig: kopieën van de tekst

 

Scène 1. Bommetje
God: Jona, Jona!
Stem: Vanuit een grote koninklijke eik achter het bankje waar Jona op zat, klonk de stem van God.
God: Jona, heb je even tijd?
Jona: Nou ja, goed, als het niet te lang duurt.
God: Jona, je hebt vast en zeker wel gelezen over de toestand in Ninevé.
Jona: God, hou op, de kranten staan er vol van!
God: Jij vindt dat toch zeker ook helemaal niks, toch?
Jona: Absoluut, wat mij betreft mogen ze die stad wel opheffen. Vloedgolfje hier, aardbevinkje daar, bommetje erop... mensen die er zo'n zooitje van maken verdienen niet beter.
God: Je hebt je punt wel gemaakt, denk ik, maar ik zou zeggen: dat kan altijd nog. Mijn idee was om er eerst eens iemand op af te sturen. Iemand die probeert orde op zaken te stellen.
Jona: Ja natuurlijk, moet U doen, een sterke man, die ze de pan uitveegt, die hen de waarheid gaat zeggen en hen leert hoe het moet. Iemand die de normen en waarden in ere herstelt, de straffen hoger maakt en 'zero tolerance' invoert. Goed plan, God, maar ik moet er nu echt vandoor, sorry.
God: Jona!
Jona: Ja?
God: Ik dacht, als jij nu eens naar Ninevé ging. 0 ja, voor de duidelijkheid: dit is geen Vriendelijk verzoek, dit is een roeping.

Stem: En met het geritsel van het eikenlover verdween God terug, naar de eeuwigheid.

Stem: Een mening? Die heeft Jona wel. En oplossingen voor de problemen van de samenleving ook. Je kent ze wel, mensen die het hoogste woord hebben op verjaardagen. Over asielzoekers, werklozen, verkeersovertreders, die jeugd van tegenwoordig. De oplossingen zijn doorgaans stoer en weinig liefdevol. Zouden die mensen de baas zijn in Nederland, het zou er beslist beter gaan. Vinden zij. Zo iemand is Jona: als hij wordt aangesproken op zijn eigen verantwoordelijkheid daarbij, geeft hij niet thuis. De logische consequentie van zijn eigen opvattingen is hem een brug te ver. God roept hem om iets te gaan doen, waar hij geen zin in heeft. Dat kan alleen God. Als Jona zichzelf zou roepen, bleef dat aardig in de buurt van zijn gebruikelijke bestaan. En als een ander mens Jona zou roepen, dan was het antwoord: "En wie ben jij dan helemaal?" God roept. Maar Jona denkt: dat God mij roept, betekent nog niet dat ik ook moet luisteren.

 

Scène 2. Afgodjes
Jona: God, ik dank U dat U mij gered heeft toen ik in vliegende vaart overboord gejonast ben, dat ik bijna kopje onder ging en dat U toen die walvis stuurde. Ik vind U echt helemaal het einde, zeker vergeleken bij zoveel rare, andere afgodjes. En ik wil voortaan echt alles voor U doen, ik wil voortaan mijn leven in Uw dienst stellen. Maar, zou U me dan eerst even willen helpen om te ontsnappen uit deze maag? Als dat even zou kunnen? Eventueel? Alstublieft?
Stem: En God verhoort Jona.
Stem: Nood leert bidden, dat maakt deze scène glashelder. God aanroepen wanneer je in de problemen zit is stukken populairder dan God danken voor al het moois dat je dagelijks' meemaakt. God is eerder een redder in de nood dan de Schepper van de wereld en de bron van leven. Jona onderhandelt met God en belooft Hem bomen tot in de hemel. Het lijkt of God geen kant meer op kan. Als hij Jona niet redt, verliest hij een trouw en toegewijd gelovige. God doorziet echt wel Jona's diepste motief: ontsnappen uit de walvis en wel nu. Waarschijnlijk neemt Hij zijn beloftes zich voortaan in zijn dienst te stellen met een korreltje zeezout. Maar Hij geeft hem een tweede kans.

 

Scène 3. Klein hartje
Jona: Heb ik het niet gezegd, had ik geen gelijk? Ik zei toch al dat U Ninevé zou sparen! Grote mond, klein hartje. Waarom dacht U anders dat ik naar Tarsis vluchtte? Nou? Ik geloofde er toen al helemaal niets, compleet niets van dat U Ninevé echt zóu omkeren. Het spijt me dat ik het zeggen moet, maar daar ben U gewoon een te goede God voor. Te goed voor deze wereld. Ja. Ik had me dus echt wel de moeite kunnen besparen. Sorry hoor, maar ik zit er even helemaal doorheen.
God: Is dat wel terecht, dat je zo kwaad bent?
Stem: Nee, natuurlijk is het niet terecht dat Jona zo kwaad is. Er klopt iets niet in je redenering, wanneer je liever een complete stad omgekeerd ziet worden dan dat je je eigen ongelijk moet bekennen. Moeiteloos legt Jona zijn verhaal in zijn voordeel uit. Zijn weigering naar Ninevé te gaan schuift hij via een omweg op Gods bordje. Tegelijk begrijp je zijn punt wel. Blijkbaar kunnen mensen er voortdurend een zooitje van maken (moorden, liegen en bedriegen) en is er altijd een weg terug. Voor wie goed probeert te leven is dat een doorn in het oog. Groter dan die doorn in jouw oog is blijkbaar Gods genade.

 

Scène 4. Al dat vee!
Jona: Dacht ik dat ik alles gehad had, krijg ik dit nog. Die boom verdort waar ik bij sta! Voor mij hoeft het niet meer, ik was net zo lief dood.
Stem: God dacht: "Je kunt het ook overdrijven", en vroeg Jona ...
God: Is het wel terecht dat je zo kwaad bent vanwege die boom?
Jona: Zeker wel! En weet U, het is dat ik niet mag vloeken maar ik had het graag gedaan.
God: Jij wilde die boom 'sparen, een boom waar jij helemaal geen moeite voor hebt hoeven te doen. Een boom die in één nacht is gegroeid en die in één nacht is verdord. Zou ik dan Ninevé niet sparen, die grote stad, die honderdtwintigduizend mensen die ik zelf heb gemaakt en waar ik van hou? En al dat vee!
Stem: Nee, natuurlijk is het niet terecht dat Jona zo boos is. Uiteraard is een stad met al zijn inwoners en al dat vee meer waard dan een eendagsboom. Dat maakt God pijnlijk duidelijk. Wat moet Jona met die logica? Hij druipt af. God trekt toch altijd aan het langste eind. En eerlijk is waar: tegen Gods logica is weinig in te brengen...

 

Discussie
Laat eerst de jongere die de rol van Jona speelde vertellen hoe hij het vond om Jona te zijn. Hoe was het om boos op God te zijn? Pak vervolgens met elkaar de vraag op of hier sprake is van roeping. Waarom wel/niet? En wat vinden de jongeren van Jona's reactie? Herkenbaar?