Doorgaan naar hoofdinhoud subline-curl

Kinderen en hun levensvragen

“Waarom doe jij dat?” “Waarom is een bal rond?” “Waarom???” Iedere ouder zal deze ‘waarom-vragen’ van peuters herkennen.

Peuters vragen door, soms tot het vermoeiende aan toe. Ze willen precies het naadje van de kous weten. Zo wordt de wereld om hen heen steeds groter en begrijpelijker. Als kinderen groter worden stellen ze per dag misschien iets minder vragen. Maar ze hebben én stellen ze nog steeds. Vaak zijn het vragen waar je als ouder ook niet één, twee, drie een antwoord op hebt. Dit is zeker het geval wanneer het om de zogenoemde levensvragen gaat.


Kinderen stellen vragen

Kinderen willen van alles weten. Hoe komt het dat ieder jaar de bomen weer uitlopen? Hoe komt het dat je met twee ogen toch één ding ziet? Hoe komt het dat er aardbevingen zijn? De natuurwetenschappen helpen ons het antwoord op deze vragen te geven. Maar zoeken kinderen altijd wel naar deze antwoorden als ze hun vragen stellen of bedoelen ze eigenlijk een ander soort vraag? Als een kind net op het jeugdjournaal de beelden van een aardbeving gezien heeft, wil het aan de ene kant waarschijnlijk weten hoe het zit, maar vraagt het tegelijkertijd naar de zin. Waarom zijn er eigenlijk aardbevingen? Wat is de zin ervan? Hiermee komen we op het terrein van de levensvragen.


Levensvragen

Mensen stellen levensvragen om zin en betekenis in hun leven te ontdekken. In de antwoorden van levensvragen klinkt altijd iets van een levensvisie door. Daarom is een levensvraag, of beter gezegd een levensantwoord, heel persoonlijk. Vooral negatieve ervaringen roepen levensvragen op. Als opvoeders stellen we levensvragen, maar onze kinderen doen dat net zo goed. “Waarom mag ik niet vaak mee de klassen rond?” “Zorgt God ervoor dat er geen dieven en moordenaars in ons huis komen?” “Welke godsdienst heeft er nu gelijk?” “Waarom moest opa sterven?” “Waarom hoef ik mijn toets niet goed te leren en haal ik toch een goed cijfer, terwijl andere kinderen wel goed leren, maar geen goed cijfer halen?” “Mama, heb jij vroeger ook wel eens een snoepje uit de pot gepikt en is dat echt heel erg?” Het zijn wat van de vragen die mijn eigen kinderen mij de afgelopen maanden stelden. Vragen ook, waar ik niet zo maar een kant-en-klaar antwoord op kan (en wil) geven. Het zijn allemaal vragen die opgeroepen worden door existentiële ervaringen, waardoor kinderen zich afvragen wie zij zelf zijn en hoe zij zich verhouden tot de wereld om hen heen. De wereld die zij kunnen zien en die wereld die zij niet kunnen zien, maar die zij wel vermoeden: de wereld van God.

De Duitse godsdienstpedagoog en kindertheoloog Friedrich Schweitzer stelt dat de levensvragen van kinderen onder te verdelen zijn in vijf grote vragen (Schweitzer, 2013; Valstar, 2016 – p.12):

  • Wie ben ik en wie mag ik zijn? (De vraag naar de eigen identiteit)
  • Waarom ga je dood? (De vraag naar de zin van het leven)
  • Waar vind ik bescherming en geborgenheid? (In transcendente zin: de vraag naar God)
  • Waarom zou ik anderen goed behandelen? (De vraag naar de grondslag van de ethiek)
  • Waarom zijn er verschillende geloven? (De betrouwbaarheid van de waarheden van anderen)

De levensvragen uit ons eigen gezin, die ik hierboven noemde, vallen allemaal onder een van deze vijf grote levensvragen. En als je zelf wat vragen van je kinderen uit de afgelopen maanden de revue laat passeren, dan zal je waarschijnlijk ontdekken dat ook jouw kinderen zich bezig hielden en houden met deze levensvragen. Maar wat kun je hier als opvoeder mee?

Omgaan met levensvragen van je kinderen

Wanneer je kind zich met tranen in de ogen afvraagt waarom opa moest sterven, zal je hier direct een levensvraag in herkennen. Maar soms zijn levensvragen veel minder goed zichtbaar, omdat ze om veel kleinere dingen gaan of in eerste instantie natuurwetenschappelijk lijken. Kinderen benoemen ook niet al hun levensvragen. Het kan dus zijn dat je de levensvragen van je kind niet opmerkt

Levensvragen zijn eigenlijk altijd ingewikkeld. Misschien raken ze wel aan de vragen die je zelf hebt. Je kunt daardoor de neiging hebben ze min of meer te negeren. “Joh, ga nu maar lekker slapen. Het is de hoogste tijd.” Maar je kind komt op deze manier natuurlijk geen steek dichter bij een antwoord.

Als je kind levensvragen stelt, kun je hier ook op reageren door zelf een ‘waarheids-antwoord’ geven. Je vertelt je kind wat volgens jou het goede antwoord op zijn levensvraag is. Het probleem hierbij is dat een levensvraag altijd opgeroepen wordt door persoonlijke ervaringen en dat hier ook altijd een persoonlijke levensvisie in doorklinkt. Geven we dus wel het antwoord dat past bij de ervaring van het kind en de associaties die dit opgeroepen heeft? En houden we er dan wel voldoende rekening mee dat een kind de wereld heel anders waarneemt en ervaart dan wij als volwassenen dit doen en daardoor ook een andere levensvisie heeft?

Wanneer je kind levensvragen heeft, kun je deze vragen dus of negeren of té snel van een antwoord voorzien, vaak zonder dat je het zelf in de gaten hebt. Er is echter nog een derde manier om om te gaan met de levensvragen van je kind. De kindertheologie biedt ons hiervoor handvatten. 

Kinderen helpen antwoorden te vinden

In de visie van de kindertheologie is het belangrijk dat jij als opvoeder kinderen helpt hun eigen antwoorden te vinden. Hiervoor kun je drie verschillende rollen inzetten (Freudenberger-Lötz, 2007).

Allereerst ben je de opmerkzame waarnemer. Wat voor soort vraag stelt je kind je eigenlijk? Of kan het juist zijn dat je kind met vragen rondloopt, maar deze niet onder woorden kan of wil brengen? Wat vraagt het zich af als het vertelt over school of over gebeurtenissen uit het nieuws of als het nadenkt over een verhaal dat jullie samen gelezen hebben? Maar ook als je kind al bezig is met het formuleren van antwoorden op zijn vragen, blijf je waarnemen wat het zegt. Hoe denkt je kind? Je hebt deze goede waarneming nodig om met je kind in gesprek te raken over zijn vragen.

Daarnaast ben je namelijk ook een stimulerende gesprekspartner. In deze rol ga je samen met je kind op weg. De vragen van je kind stimuleren jou namelijk ook om verder te denken dan je eigen vertrouwde denkkaders. Je stelt nieuwe vragen, waardoor je zowel je eigen begrip als dat van je kind stimuleert.

Tenslotte ben je de begeleidende inhoudsdeskundige. Want hoewel je als opvoeder niet overal een antwoord op hoeft te hebben, heb je over veel van de vragen van je kinderen ook al eens nagedacht en heb je voor jezelf minstens stukjes van antwoorden gevonden. Deze mag je inbrengen in het gesprek, zonder kinderen de ruimte te ontnemen, hierover zelf na te denken. Juist in de Bijbel komen we allerlei personen tegen, die worstelden met levensvragen en hierop antwoorden vonden. Je kunt je kind dus heel goed kennis laten maken met bijbelse personages of tekstgedeelten om hen te helpen antwoorden op hun eigen levensvragen te laten vinden.

Door opmerkzaam waar te nemen, door je kind als gesprekspartner te stimuleren en door het nieuwe informatie te geven als begeleidende inhoudsdeskundige help je je kind antwoorden te vinden op zijn levensvragen en help je het te ontdekken wie het is en wie het mag zijn, en hoe zij zich verhoudt tot de ander en de Ander.


Gebruikte literatuur

Freudenberger-Lötz, P. (2007). Forschungswerkstatt “Theologische Gespräche mit Kindern”. Das Karlsruher Projekt und seine Konzequenzen. Theo-Web. Zeitschrift für Religionspädagogik, 6(2), 7-26.

Valstar, J. (2015). Kindertheologie: de basis. In J. Valstar, M. Willems, H. Kuindersma, C. Borré & G. Büttner (red.). God is buiten de tijd. Kindertheologisch leren kijken (p. 10-37). Amersfoort: Kwintessens.

Schweizer, F. (2013). Das Recht des Kindes auf Religion. München, Gütersloher Verlagshaus.


Auteur: Corina Nagel

Dit artikel is eerder geplaatst in het oudermagazine van Ouders van Waarde ‘Ouders bedankt!, nummer 5.