Doorgaan naar hoofdinhoud subline-curl

Iedereen mag er zijn en ieders inbreng doet er toe.

Ga met elkaar in gesprek over de unieke inbreng van de jongeren in je groep.

Het aspect ‘iedereen mag er zijn en mag zijn eigen unieke inbreng hebben’ vraagt om een houding van openheid en inzet. Toch is dat niet vaag. Je bouwt juist in heel concrete momenten en specifieke situaties aan dit aspect van veiligheid.

Bespreek met elkaar de volgende vragen.

Iedere aanwezige neemt een kind of jongere in gedachten. Met die persoon op het netvlies denk je een minuut in stilte na over de volgende vragen:

  • Weet ik hoe het met deze persoon werkelijk gaat?
  • Wanneer heb ik voor het laatst gesproken met deze persoon en waarover?
  • Hoe ligt deze jongere in de groep? Durft hij/zij zich te uiten, ook als dat afwijkt van de rest?
  • Durft het kind dat je in gedachten hebt zijn/haar mening makkelijk te geven in vergelijking met de anderen?


Bespreek na die minuut met elkaar al jullie antwoorden op de vragen. Misschien zijn er ook nieuwe vragen in je opgekomen, over de mate waarin elk kind en iedere jongere vrijmoedig zijn/haar eigen unieke inbreng mag hebben in het gemeenteleven. Zijn er grenzen aan die inbreng? Waarin zit die? Wat gebeurt er als die grenzen toch overtreden worden? Hoe erg is dat? In hoeverre worden grenzen bepaald door veiligheid en in hoeverre door de cultuur van de gemeente (zo doen wij dat hier nu eenmaal)?

Bespreek nu met elkaar hoe jullie als leiding omgaan met kinderen en jongeren die ‘anders zijn’.

Bespreekvragen:

  • geef ik echt ruimte aan andersdenkenden?
  • geef ik echt tijd aan mensen die dat nodig hebben?
  • bied ik mogelijkheden om ander gedrag te vertonen dan ik gewend ben?
  • geef ik echt ruimte aan andersdenkenden?